Maria Montessori

Maria Montessori wordt op 31 augustus 1870 geboren in het plaatsje Chiaravalle in Italië.
Als ze 12 jaar is geeft ze aan naar een technische school te willen. Ze heeft veel belangstelling voor wiskunde en wetenschap.
Het is een hele toer om een school te vinden die haar wil toelaten, want het is in die tijd onacceptabel voor een meisje om een dergelijke studie te doen.
De Regia Scuola Tecnica Michelangelo Buenarotti neemt haar tenslotte aan en ze slaagt er met hoge cijfers.

Hierna wil zij aanvankelijk doorgaan met een ingenieursopleiding, maar haar belangstelling voor biologie doet haar besluiten tot een studie geneeskunde.
In 1886 is dit een onmogelijke keuze voor een vrouw.
Er is veel moeite voor nodig om speciale toestemming te krijgen om tot de universiteit toegelaten te worden.
Uiteindelijk wordt ze in 1892 toch als eerste vrouwelijke studente geneeskunde aangenomen op de Universiteit van Rome.
Studiegenoten en docenten maken het haar echter niet gemakkelijk.
Zij moet zelfs diverse studieonderdelen alleen in de avonduren doen, omdat zij als vrouw niet wordt toegelaten tussen de jongens.
Montessori behaalt op haar 25e haar graad tot arts en wordt hiermee de eerste vrouwelijke arts in Italië.

In 1896 komt ze in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome in contact met geestelijk gehandicapte kinderen. Zij observeert ze niet alleen medisch maar zij heeft ook oog voor hun gedrag. Ze ontdekt dat deze kinderen zich in de kale ziekenhuisomgeving, zonder enig speelgoed of leermiddel, ook niet hebben kúnnen ontwikkelen.
Ze verdiept zich in de psychologie en de pedagogie.
Vooral het werk van Itard en Seguin spreekt haar erg aan. Deze Franse artsen bepleiten speciaal onderwijs voor deze kinderen, terwijl er gewoonlijk slechts sprake was van sobere dagelijkse (medische) verzorging.
Hierdoor geïnspireerd, wil Montessori een onderwijsmethode vinden die bij de mogelijkheden van deze kinderen past.
Zo bedenkt zij het eerste zintuiglijk ontwikkelingsmateriaal.

In 1898 wil de staat een school voor deze kinderen openen, de Scuola Orthofrenica in Rome, en Montessori wordt gevraagd om directrice te worden. Al snel heeft ze succes met haar manier van werken.
Ze leert de kinderen oefeningen voor het dagelijks leven, zoals het hanteren van een vork en een lepel, het lopen in een rechte lijn over een streep, het verzorgen van de omgeving. Later worden de bewegingen fijner door het ontwikkelen van de tastzin, door het voelen van verschillende soorten stoffen en schuurpapieren letters. Het lukt Montessori zelfs de kinderen te (helpen bij het) leren lezen en schrijven.

Twee jaar later wordt zij docente aan het Regio Instituto Superiore Femminile di Magistero, een Hogeschool voor vrouwen in Rome. Zij verzorgt er het onderwijs in hygiëne en de antropologie.
En van 1904 tot 1916 is zij hoogleraar in de antropologie aan de Universiteit van Rome.

Intussen krijgt Montessori in 1907 de mogelijkheid directrice te worden van een school voor regulier onderwijs. Ze noemt de school "Casa dei Bambini" ("Kinderhuis"). Het is een school en huis ineen.
Als kinderen met een geestelijke stoornis al zo snel kunnen leren, zo moet Montessori hebben gedacht, dan moeten kinderen zonder stoornis, de gewone gezonde kinderen, toch veel beter werk kunnen leveren dan ze nu doen.
Montessori ontwikkelt vervolgens ook voor hen steeds nieuwe ontwikkelingsmaterialen.

Door haar observaties ontdekt zij ondermeer de "gevoelige perioden".
Dit zijn perioden in de ontwikkeling van een kind waarin het intensieve belangstelling heeft voor een bepaald ontwikkelingsaspect.
Het kind maakt zich dit in een dergelijke periode door veelvuldig herhalen met de minste moeite eigen. De omgeving dient daartoe dan wel de gelegenheid te bieden.
Kenmerkend wordt de uitspraak: "Help mij het zelf te doen".

Montessori komt, mede door haar medische achtergrond, eveneens op de gedachte van meubilair dat speciaal voor de kinderen gemaakt is. Kleine kasten, lage stoeltjes en tafeltjes, alles op kinderformaat en verplaatsbaar voor en door kinderen. De kinderen krijgen de ruimte zich door de school te bewegen en kunnen naast het werken aan tafeltjes ook werken op kleedjes op de grond. Dit betekent een ongekende revolutie in de tijd dat de tafels en de stoelen op andere scholen groot en onverplaatsbaar zijn.
 


 

Gaandeweg ontwikkelt Montessori een pedagogisch-didactische methode, met opmerkelijke resultaten, die ook buiten haar school veel belangstelling wekt. In Italië worden meer Montessorischolen opgericht.
Dit leidt in 1909 tot de uitgave van het boek "IL METODO", waarin haar visie en werkwijze worden beschreven.
Maria Montessori start dan tevens met lerarentrainingen.
Ook buiten Italië worden er Montessorischolen opgestart en dit brengt haar veelvuldig buiten de landsgrenzen om haar methode toe te lichten.

Als zij weigert zich in haar school aan de regelgeving van Mussolini te conformeren, vertrekt zij in 1934 naar Barcelona en worden alle Italiaanse Montessorischolen gesloten.
In 1936 vlucht zij wegens de Spaanse burgeroorlog naar Nederland om vervolgens in Laren een school te leiden.
Als zij in 1939 op uitnodiging van Gandhi in India verblijft, breekt de Tweede Wereldoorlog uit, waardoor de thuisreis moet worden uitgesteld.
Tijdens haar verblijf in India, dat uiteindelijk tot 1946 zou duren, blijkt haar methode dusdanig aan te slaan dat zij er vele lezingen geeft en duizenden leraren kan opleiden.

Als de oorlog ten einde is, keert zij terug naar Nederland.
Ondanks haar hoge leeftijd blijft ze actief met het bijwonen van congressen en het geven van lezingen.
In 1950 wordt Maria Montessori benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau en ontvangt zij een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam.
Op 6 mei 1952 overleed Maria Montessori.
Ze ligt begraven in Noordwijk aan Zee.